|
Adoramus te, Christe, et benedicimus tibi; adoramus te, Christe, et benedicimus tibi, quia per sanctam crucem tuam, redemisti mundum. Adoramus te, Christe, et benedicimus tibi; adoramus te, Christe. |
|
Evenals een moede hinde naar het klare water smacht, schreeuwt mijn ziel om God te vinden, die ik ademloos verwacht. Ja, ik zoek zijn aangezicht, God van leven, God van licht. Wanneer zal ik Hem weer loven, juichend staan in zijn voorhoven? |
Hart, onrustig, vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel, hoop op God en wees geborgen. Hij verheft wie nederviel. Eens verschijn ik voor den Heer, vindt mijn ziel het danklied weer: Hij, mijn God, Hij heeft mijn leven dikwijls aan de dood ontheven. |
|
Laat ons nu voor den Here zijn goedertierenheid toezingen en vereren, de God die ons bevrijdt. Want wie zijn hulp verlangt, Hem aanroept in gebeden, verlost Hij uit de angst en leidt Hij tot den vrede. |
|
Our Father which art in heaven, hallowed be Thy name. Thy kingdom come. Thy will be done on earth, as it is in heaven. Give us this day our daily bread, and forgive us our trespasses as we forgive them that trespass against us, and lead us not into temptation, but deliver us from evil. For Thine is the kingdom, the power, and the glory, for ever and ever. Amen. Amen. |